Thema’s 19-20

De thema’s van PensioenLab 2019-2020:

Dit jaar maken wij het pensioenakkoord jongerenproof! De kaders van het nieuwe akkoord zijn gesteld, maar de invulling biedt nog veel ruimte en risico’s voor jongeren. Daar kunnen wij wat aan doen! Hieronder de uitdagingen waar we in groepen jongeren komend jaar mee aan de slag zullen gaan.

Hoe ziet het aanvalsplan witte vlekken eruit?

Werkgevers en vakbonden hebben afgesproken dat ze samen de zogenaamde witte vlek gaan aanpakken: dit zijn honderdduizenden voornamelijk jonge mensen in loondienst, die nu geen pensioen opbouwen.

Uit onderzoek van het CBS blijkt dat circa 856.000 werknemers geen pensioenregeling hebben. 40 procent van hen heeft een vast contract, de rest heeft een tijdelijk of een flexibel contract. Van alle bedrijven is 29 procent een zogenoemde witte werkgever; een onderneming die voor geen ­enkele werknemer een pensioenregeling heeft. Dat zijn 80.000 bedrijven. Of beter gezegd bedrijfjes; 98 procent heeft minder dan tien ­werknemers.

Redenen om geen ­pensioenregeling aan te bieden zijn de kosten, de administratieve rompslomp, gebrek aan vertrouwen in pensioenregelingen en onzekerheid over de stabiliteit van de regelgeving. Dat meldden bedrijven vorig jaar aan het CBS. Ruim de helft van de werknemers die geen pensioen opbouwt, werkt echter bij een bedrijf dat wel is ­aangesloten bij een pensioenfonds. Zij hebben dus collega’s die wel een pensioen opbouwen. Dat kan komen doordat hun bedrijf ooit is overgenomen en voor hen andere regels gelden, of doordat ze een andere functie hebben binnen het bedrijf. Er zijn ook werknemers met een hoog inkomen die zelf zeggen dat ze geen pensioen willen opbouwen.

 

Hoe moet het plan van aanpak omtrent witte vlekken er in het pensioenakkoord volgens jullie uitzien?

Willen wij een pensioencontract zonder behoud van grote verplichtstelling?

In Nederland kennen we de ‘grote’ verplichtstelling. Dat betekent dat zo’n 70% van alle werknemers verplicht moeten meedoen met een specifiek pensioenfonds. Bijvoorbeeld in de bouw, de metaal, maar ook de gezondheidszorg en natuurlijk de ambtenaren. Dit kan in bedrijfstakpensioenfondsen, maar ook beroepspensioenfondsen (verplichting om aan te sluiten omdat je dát beroep uitoefent, ook als zelfstandige).

Die verplichtstelling biedt veel voordelen. Omdat een hele sector bij één fonds is ondergebracht, kunnen bedrijven binnen die sector elkaar niet aftroeven met een sobere pensioenregeling. Daarnaast zijn de risico’s van alle deelnemers beter te delen en is het vanwege schaalvoordelen ook nog eens veel goedkoper.

Tegenstanders van de verplichtstelling wijzen op het gebrek aan keuzevrijheid en een gebrek aan concurrentie. Het kabinet heeft met het pensioenakkoord een voorschot genomen op de discussie rond de verplichtstelling door de verplichtstelling tot sparen voor het pensioen te beperken tot een inkomen van 100.000 euro.

Willen jullie dat een pensioencontract kan worden afgesloten zonder de grote verplichtstelling?

Werkgevers en vakbonden hebben afgesproken dat ze samen de zogenaamde witte vlek gaan aanpakken: dit zijn honderdduizenden voornamelijk jonge mensen in loondienst, die nu geen pensioen opbouwen.

Uit onderzoek van het CBS blijkt dat circa 856.000 werknemers geen pensioenregeling hebben. 40 procent van hen heeft een vast contract, de rest heeft een tijdelijk of een flexibel contract. Van alle bedrijven is 29 procent een zogenoemde witte werkgever; een onderneming die voor geen ­enkele werknemer een pensioenregeling heeft. Dat zijn 80.000 bedrijven. Of beter gezegd bedrijfjes; 98 procent heeft minder dan tien ­werknemers. Redenen om geen ­pensioenregeling aan te bieden zijn de kosten, de administratieve rompslomp, gebrek aan vertrouwen in pensioenregelingen en onzekerheid over de stabiliteit van de regelgeving. Dat meldden bedrijven vorig jaar aan het CBS.

Ruim de helft van de werknemers die geen pensioen opbouwt, werkt echter bij een bedrijf dat wel is ­aangesloten bij een pensioenfonds. Zij hebben dus collega’s die wel een pensioen opbouwen. Dat kan komen doordat hun bedrijf ooit is overgenomen en voor hen andere regels gelden, of doordat ze een andere functie hebben binnen het bedrijf. Er zijn ook werknemers met een hoog inkomen die zelf zeggen dat ze geen pensioen willen opbouwen.

Wie betaalt de compensatie voor de afschaffing van de doorsneesystematiek?


Een van de hoofdpunten van het pensioenakkoord is de afschaffing van de doorsneesystematiek. Onder de doorsneesystematiek betaalt elke deelnemer aan een pensioenregeling dezelfde premie en krijgt hiervoor dezelfde pensioenopbouw (in percentage van het pensioengevend loon).
Het systeem houdt geen rekening met het feit dat de premie van een jongere werknemer de pot veel langer spekt dan de premie van een oudere werknemer. Met andere woorden, jongeren subsidiëren ouderen met hun inleg. Dit was heel lang geen probleem, maar door de vergrijzing zijn er meer ouderen die geld uit de pot halen en minder jongeren die er geld in stoppen. Wie nu aan het begin van zijn werkende leven staat, moet dus maar afwachten of er over pak ‘m beet veertig jaar nog wat te halen valt. Dit zet de solidariteit waar het systeem op stoelt onder druk.Zou de doorsneesystematiek zo maar worden afgeschaft, dan is daar veel geld voor nodig. Het zal maar liefst 55 miljard euro kosten om de tekorten te compenseren, volgens CPB-onderzoek. Wie deze 55 miljard zou moeten gaan betalen, is de grote vraag. Een aantal partijen die deze last zouden kunnen betalen: huidige werknemers, werkgevers, zowel werkgevers als werknemers door afbouwen, pensioenfondsen of de overheid.

Wie zal dit gaan betalen?

Wanneer moet een pensioenfonds korten?

Een pensioenfonds moet genoeg vermogen aanhouden om de uitkeringen van zijn deelnemers te kunnen betalen. De verhouding tussen het vermogen en de pensioenen van deelnemers heet de dekkingsgraad. Deze moet altijd boven de 105% blijven. Als de dekkingsgraad te laag is, dan kan het pensioenfonds de volgende maatregelen nemen:
– De pensioenen niet meer verhogen
– De premie verhogen
– De werkgevers vragen om extra geld te storten
– Of de pensioenen te verlagen, dat noemen we korten.
Als de pensioenen worden gekort dan krijg je minder pensioen. De verlaging geldt meestal voor alle deelnemers, zowel voor de actieve deelnemers, de gepensioneerden, de ex-deelnemers en de ex-partners van (ex-) deelnemers. De discussie over wel of niet korten kan hoog oplopen in Nederland.
De pensioenfondsen voelen zich met handen en voeten gebonden door de strenge regels. Ze hebben meer geld in kas dan ooit, ruim 1400 miljard, maar moeten zich ‘arm rekenen’ door de regelgeving en een aantal moeten misschien zelfs korten.


Moeten de regels omtrent korten worden aangepast? Oftewel: wanneer moet een pensioenfonds korten?